This is the sixth installment of an ongoing fictional story in Dutch called “Het Heerengymnasium”. The first part was published on January 9 and the fifth part last week. My intent is to publish a new part every Monday. If you like the writing, please consider buying my book “Op zoek naar het rendement” on Amazon (also Dutch) or the joint effort “The Better Business Book” (English).

Nog half in slaap deed ik mijn ogen open. Ik wreef het zand uit mijn ogen en draaide op mijn zij. De wekker op het ladekastje naast mijn bed gaf drie voor zeven aan. Ik was net voor de wekker wakker geworden. Dat gebeurde mij wel vaker, aangezien ik een ochtendmens ben. Ik zette de wekker uit en ging rechtop in mijn bed zitten. Daarna klikte ik het licht op mijn kamer aan. De lamp begon zachtjes te branden en zwol langzaam aan tot volle sterkte. Die vertraging kwam doordat er een spaarlamp in zat.

Ik had een rechthoekige kamer aan de voorkant van ons huis met een raam dat over de straat heen keek. Haaks onder het venster stond een IKEA bureau met een donkerblauwe bureaustoel. Daardoor kon ik vanachter mijn bureau naar buiten kijken terwijl ik met mijn computer bezig was. Aangezien de kamer op het noorden zat, had ik nooit last van de zon op mijn beeldscherm. Naast het bureau stond een grote kledingkast dat als scheiding fungeerde tussen het woongedeelte en het slaapdeel van mijn kamer. Aan de andere kant had ik boekenkasten staan met schoolboeken, leesboeken en strips, en een stoel waarop ik mijn kleding ‘s avonds hing.

Na uit bed gestapt te zijn zocht ik een stapel schone kleding bij elkaar uit de kledingkast. Met de frisse kleren onder de arm liep ik mijn kamer uit naar de badkamer om te gaan douchen. Ik stond een minuut of acht onder de douche toen mijn vader stevig op de deur klopte. “Je staat al een kwartier te douchen. Kom er eens uit!” Ik spoelde mezelf af, waarna ik de kraan dicht draaide en uit de douchecabine stapte. Zodra ik me aangekleed had liep ik de trap af naar beneden. Zoals elke doordeweekse ochtend maakte ik een flinke kom cruesli met melk in de keuken en at deze aan de eettafel, al bladerend door de NRC van de middag daarvoor.

Tegen de tijd dat ik klaar was met mijn ontbijt was het inmiddels kwart voor acht. Aangezien de lessen begonnen om half negen moest ik dus opschieten. Daarnaast had ik om acht uur met Mark bij de grote rotonde afgesproken. Snel pakte ik zes sneetjes bruin brood, die ik belegde met kaas en in mijn broodtrommel deed. Daarna rende ik de trap op om mijn rugzak verder in te pakken. Vijf minuten voor acht uur stond ik uiteindelijk met mijn jas aan bij mijn fiets. Rap fietste ik onze straat uit richting de rotonde waar Mark en ik hadden afgesproken. De spoorbomen stonden gelukkig open, waardoor ik zonder te stoppen de spoorlijn die het westen van het oostelijk deel van ons dorp scheidde kon passeren.

Zwetend van het harde fietsen was ik twee over acht bij de ontmoetingsplek aangekomen. Net als op de meeste ochtenden was Mark niet op tijd. Ik had dus net zo makkelijk op een normaal tempo kunnen fietsen. Licht buiten adem fatsoeneerde ik mijn haar, dat door het snelle fietsen omhoog was gewaaid. “Yo!” Zeven over acht voegde Mark zich bij me. “Yo! We moeten opschieten. Laten we gaan!” zei ik terug. Rap stapten we beiden weer op onze fietsen en vertrokken richting het Heerengymnasium.

De eerste bel was al gegaan toen wij de fietsenstalling binnen kwamen rijden. Dat betekende dat we minder hadden dan vijf minuten om naar het lokaal te gaan. Zo snel als we konden parkeerden we onze fietsen. Daarna liepen we de trappen op naar de tweede etage. De eerste les van de dag was vandaag wiskunde. Het was niet cool om te rennen op school, zeker niet naar een les toe, dus gingen we snelwandelend door het gebouw naar het lokaal van onze wiskundeleraar. Tegelijkertijd met de tweede en laatste bel liepen we het klaslokaal binnen. De meeste klasgenoten waren er al, waardoor Mark en ik op de voorste rij moesten gaan zitten.

“Zozo meneer Van Vecht, meneer Peeters, precies op tijd.” De wiskundeleraar wachtte tot wij allebei waren gaan zitten, waardoor een nogal ongemakkelijke stilte viel. Ondertussen volgde hij ons met een strenge afkeurende blik. De rest van de klas staarde schaapachtig hoe wij onze wiskundeboeken pakten. Meneer Steenkamer, zo heette onze wiskundedocent, wreef met zijn hand over zijn ringbaard. “Zo, dames en heren, herinneren jullie de SO van vorige week nog?” Van zijn bureau pakte hij een dikke stapel nagekeken toetsen. De docent maakte er een gewoonte van twee keer per kwartiel een onverwachte schriftelijke overhoring te geven. Afgelopen week hadden we zo’n test gehad.

In beoordeling oplopend begon Steenkamer de nagekeken overhoringen terug te geven. “Bergmans, een vijf. Van Nieuwkerk, een zes. De Groot, ook een zes.” De man liep tussen de schoolbankjes door en legde iedere keer als hij een naam opnoemde de velletjes papier op het tafeltje voor de desbetreffende leerling. “Van Vecht, een acht.” De docent stond nu bij mijn schoolbankje om mijn resultaten neer te leggen. Hij droeg een overhemd met een streepjespatroon in een afzichtelijke mosterdkleur bovenop een lichtbruine ribbroek. Waar hij zijn kleding kocht wist ik niet, maar het leek erop alsof ze hem daar net zo min mochten als in het klaslokaal.

Na mij kwam nog een leerling met een acht en ook een negen. Daarna liep Steenkamer terug naar zijn bureau voorin het lokaal. De wiskundedocent keek geniepig naar de scholieren. Zijn ogen fonkelden lichtjes. Hij opende de gesp van zijn zwarte leren tas, waaruit hij nog een stapeltje toetsen tevoorschijn haalde. “Dijkman, een twee. Op den Heuvel, een drie.” Met sadistisch plezier deelde hij de allerergste onvoldoendes uit, die hij apart had gehouden.

If you want to keep on reading, continue to the seventh part published on February 20.

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *