This is the seventh installment of an ongoing fictional story in Dutch called “Het Heerengymnasium”. The first part was published on January 9 and the sixth part last week. My intent is to publish a new part every Monday. If you like the writing, please consider buying my book “Op zoek naar het rendement” on Amazon (also Dutch) or the joint effort “The Better Business Book” (English).

Aandachtig was ik de wiskundeles aan het volgen. Steenkamer legde de lesstof voor die dag uit. Deze periode waren we bezig met gevorderde geometrie. Gaandeweg kalkde de docent het volledige schoolbord vol met figuren en de formules om hoeken en dergelijke te berekenen. Ondertussen nam ik de aantekeningen over in mijn schrift. Het ging echter dermate snel dat ik hem maar ternauwernood kon bijhouden.

“Hé, let eens op!” Steenkamer keek geïrriteerd op uit zijn uitleg. Achterin hadden Barend en Justus zitten smoezen en lachen tot zijn ergernis. Na de uitval werden de twee jongens stil, waarna ze de les weer volgden. Steenkamer klapte het bord om, zodat hij op de achterkant verder kon schrijven, en ging verder met zijn uitleg.

Op een enkeling na hadden de meeste docenten op het gymnasium hun lokalen thematisch gedecoreerd. Zo hing het Duits lokaal vol posters van het Goethe Instituut en stonden er bij natuurkunde allerlei experimentopstellingen, zoals een kleine stoommachine. Eigenlijk was alleen een van de docenten geschiedenis een grote uitzondering, aangezien zijn lokaal vol hing met seventies rock memorabilia. In het wiskundelokaal waar ik zat hingen posters van veertien jaargangen van de nationale wiskunde olympiade. Daarnaast had Steenkamer een vitrinekast neergezet met daarin twee abacussen, een rubixkubus en een aantal logische spelletjes. Thuis had ik ook een paar van die puzzels, zoals twee met lussen aan elkaar vastgemaakte houtjes die je zonder het touw kapot te maken moest losmaken.

“Zo, pak allemaal jullie opgavenboek en maak opgave vierentwintig.” Steenkamer pauzeerde om het nummer van de opgave op het bord te schrijven. “Over tien minuten behandelen we hem klassikaal. De rest van de opgaven in deze paragraaf zijn huiswerk.” Ik schoof mijn stoel naar achteren om het gevraagde boek uit mijn tas te pakken. Tot mijn verbazing kon ik toen ik onder het tafeltje keek mijn rugzak niet meer terug vinden. De jongens die eerder hadden zitten grinniken begonnen weer te gniffelen. Ik keek naar achter in het lokaal, waar zij zaten. Mijn tas lag aan het einde van het pad tussen de rijtjes met schoolbankjes. Geërgerd stond ik op om hem te halen.

“Meneer Van Vecht, waar ga je naar toe?” Steenkamer was ondertussen aan zijn bureau gaan zitten. Nu keek hij op van het lesboek dat hij aan het bestuderen was. “Mijn… mijn boek pakken, meneer” stamelde ik schuchter. Waarna ik met mijn hoofd richting de rugzak achterin knikte. “Oké… pak maar” zei de docent, enigszins verbouwereerd. Daarna schudde hij zijn hoofd en ging verder met het boek te bestuderen. Ondertussen liep ik richting mijn rugzak. De rest van mijn klasgenoten staarden me na tijdens mijn tocht naar de achterste rij. Barend en Justus waren nog steeds aan het grinniken. Ik voelde dat ik rood werd van alle aandacht. Opeens voelde de paar meter als een hele lange afstand. Het liefst was ik op dit moment onzichtbaar geweest.

“Zo is het mooi geweest! Iedereen weer aan het werk!” sprak de docent streng. Ik liep met mijn spullen naar voren. De meeste klasgenoten waren al aan de opdrachten begonnen. Met een gevoel van machteloosheid haalde ik mijn boek tevoorschijn. Daarna maakte ik me klein achter mijn schoolbankje en ging aan de slag.

hoewel de rust wedergekeerd was voelde het laatste deel van de les urenlang. Door het eerdere verdwijnen van mijn rugzak had ik de ononderdrukbare neiging iedere halve minuut onder het schoolbankje te kijken of hij er nog was. Natuurlijk gebeurde er verder niets meer. Nadat de laatste trage minuten moeizaam wegtikten zoemde eindelijk de schoolbel om mij uit mijn lijden te verlossen. Zo snel als ik kon raapte ik mijn spullen bij elkaar en schoof ze in mijn tas.

Na mijn tweede lesblok van die dag, Duits van mevrouw Driessen, had ik een tussenuur. Samen met Bob liep ik door de gang van de Duitse les naar de centrale hal van de school. Zoals wel vaker tijdens een tussenuur, hadden we besloten naar de supermarkt op de hoek van de straat te lopen om een snack te halen. Dat was namelijk een flink stuk goedkoper dan iets te kopen in de schoolkantine. Daarnaast was het aanbod natuurlijk veel uitgebreider.

Aan de zijkanten van het schoolgebouw zaten de gangen tegen de buitenmuren. Daardoor keken de ramen aan de linkerzijde van het gebouw uit over een straatje met woonhuizen. Vanuit de hoge ramen kon je de rood bestraatte weg met geparkeerde auto’s goed zien. De andere kant had deels geen ramen in de gang. Daar stonden namelijk andere huizen direct tegen de school aan. Alleen in het midden waren wel een aantal vensters die over de achtertuinen heen keken.

Aangezien de kapstokken ook in de gangen zaten pakten Bob en ik onze jassen onderweg van het lokaal naar de hal, waarna we verder liepen. “Heb je gehoord dat de brand gister op de Bergschool was?” vroeg Bob al lopende. “Ik las dat een groot deel van hun gebouw is afgebrand.” Ik knikte terug. “Ja, ik zag het. Geen gewonden in ieder geval. Ze zullen vandaag wel geen les hebben.” Bob stemde in. “Gelukkig geen gewonden, ja. Had je nog iets gezien over de oorzaak?” Ik schudde mijn hoofd. “Nee, nog steeds geen nieuws.”

Inmiddels waren we de centrale hal op de begane grond binnen gelopen. Daar hingen nog een paar andere klasgenoten die nu ook geen les hadden. “Dat was vast en zeker aangestoken door zo’n pauper van de Bergschool.” Bob en ik keken op uit ons gesprek. Op een bankje in de hal zat Justus, die de opmerking had gemaakt samen met Arend. Klaarblijkelijk hadden ze met ons gesprek mee zitten luisteren vanaf het moment dat we de hal waren binnengelopen. “Ja, dat volk daar zit toch maar de hele dag te blowen” viel Arend hem bij, “maar ze gaan natuurlijk niet toegeven dat het aangestoken is.” Bob reageerde kalmpjes. “Er zal vast een politieonderzoek komen. Dan wordt de oorzaak vanzelf bekend.” Zelf bleef ik stil en volgde de discussie tussen Justus, Bob en Arend schaapachtig. “Ik geloof er geen reet van. Allemaal crimineeltjes daar in zuid.” vervolgde Justus.

Plots mengde zich een vrouwenstem in het gesprek. “Misschien kun je ze het zelf vragen, meneer Op den Heuvel.” Het was onze lerares Nederlands, mevrouw Blond. “Vanaf volgende week komen de VWO’ers van de Bergschool voor een deel tijdelijk bij ons.” Justus en Arend vielen stil en keken naar de docente. Bob en ik groetten mevrouw Blond, waarna we de hal uit naar buiten liepen.

If you want to keep on reading, continue to the eighth part published on March 1.

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *