This is the eighth installment of an ongoing fictional story in Dutch called “Het Heerengymnasium” weekly published on Wednesdays. The first part was published on January 9 and the seventh part last week. If you like the writing, please consider buying my book “Op zoek naar het rendement” on Amazon (also Dutch) or the joint effort “The Better Business Book” (English).

Bob en ik liepen de grote trappen af die als een opmaat naar de  statige hoofdingang van het Heerengymnasium leidden. Het was bewolkt en koud, maar niet onaangenaam weer buiten. Sterker nog, de frisse lucht deed goed. Ik vond het fijn om even buiten het oude schoolgebouw te zijn. Soms voelde het daarbinnen benauwend en kil, door de constante druk van schoolwerk enerzijds en tussen alle scholieren te zitten anderzijds. Hoewel ik het niet aan Bob had laten merken was ik blij dat mevrouw Blonk de discussie over de Bergschool had gestopt. Ik had geen zin om een heel tussenuur met Justus en Arend te hebben, laat staan dat te spenderen als passieve deelnemer in een ongemakkelijk gesprek.

Er waren zojuist twee bouwvakkers aangekomen op het betegelde pleintje voor de school. Een blonde vrouw met een paardenstaart en een petje op, en een dikkere man. Allebei droegen ze oranje fluorescerende jassen. Het duo had met oranje met wit gestreepte pylonen een groot stuk van het pleintje afgezet. De man was nu druk bezig een paaltje met een spiegeltje erop recht te zetten aan de rand van het afgezette gebied. Ondertussen was de vrouw een elektronische afstandsmeter uit hun pick-uptruck aan het laden.

Zo’n vierhonderd meter verderop in de staat van onze school zat een klein winkelcentrumpje. Naast de supermarkt waar Bob en ik naartoe op weg waren, zaten er nog een aantal andere winkeltjes. Het bestond uit twee rijtjes winkels met daartussenin een stuk voetgangersgebied met een bloemenkiosk. Aan de linkerzijde zaten een drogisterij, een tabakszaak en een bakker. Aan de rechterzijde zaten de supermarkt, een slijter en een dierenwinkel. Het complex had een vrij sobere functionele bouwstijl, waardoor het afstak tegen de rest van de buurt.

Aan beide zijden van het terreintje zaten bovenop de winkels seniorenwoningen. Dat waren losse appartementen voor ouderen die wel nog zelfstandig konden wonen, maar wel behoefte hadden aan aangepaste woningen. Een van de bewoners van die woningen stond onder de leerlingen bekend als zure Harry. Dat kwam doordat hij elke keer als een scholier over de stoep bij het winkelcentrumpje fietste hij meteen de wijkagent belde. Het resultaat daarvan was dat de politie minstens twee keer per maand controles uitvoerde, zodat ze van het gezeur af waren. Bij die controles vielen regelmatig boetes voor scholieren die een stukje over de stoep afsneden. Wanneer dat gebeurde ging zure Harry erbij staan om de leerlingen smalend te zeggen dat dat er van kwam als je de regels aan je laars lapte.

Bob en ik liepen schuin over de parkeerplaats van het winkelgebied richting de ingang van de supermarkt. Er stond op dit moment alleen een oude blauwe Fiat Panda geparkeerd. Het was dan ook pas kwart over tien in de ochtend. Een tijd waarop werkenden al lang op kantoor waren en mensen met een vrije dag net aan het ontbijt zaten.

Eenmaal binnen in de supermarkt liepen we meteen door naar de snackafdeling. We waren hier vaak genoeg geweest om blind onze tussendoortjes te kunnen halen. Onderuit het rek pakte ik een grote reep chocola. Aangezien die van een B-merk was kostte hij maar vijftig cent. Bob pakte twee pakken stroopwafels van het huismerk, die eveneens vijftig cent per stuk kostten.

Op dit uur van de dag liepen er bijna alleen gepensioneerden in de supermarkt rond. Desondanks stond er toch een rij voor de kassa, omdat er maar eentje open was. De kassamedewerker was een norse man die zonder enige interesse in de wereld of gevoel voor urgentie de producten langs de barcodescanner haalde. Daarbij communiceerde hij in zinnen van één woord per stuk.

“Pinnen?” vroeg de man emotieloos aan de oudere vrouw die twee plekken voor ons in de rij stond en nu geholpen werd. De dame, die haar dagelijkse boodschappen deed, probeerde een praatje aan te knopen met de kassamedewerker. “Nee, ik betaal contant. Ik ga altijd op woensdagmiddag met mijn dochter Rita geld halen bij de bank aan de Willemstraat. Daar kan je binnen pinnen. Dat vind ik veel veiliger. Weet je, tegenwoordig…” De man reageerde niet, maar vervolgde zijn simplistische script alsof hij een machine was. “Bonnetje?” De vrouw liet zich echter niet uit het veld slaan en zette stug door. “O, ja, graag. Ik controleer mijn bonnetjes altijd als ik thuis ben. Iedereen maakt nou eenmaal wel eens een foutje, toch? Mijn dochter Rita vindt dat ik te moeilijk doe, maar vorige maand had ik dus nog twee Euro te veel betaald bij de bakker. Dus ik zei tegen haar …” Nog steeds nors kijkend gaf de man het bonnetje aan de vrouw. “Alsjeblieft. Volgende?” Verbouwereerd liep de vrouw verder om haar spullen in te pakken, mompelend dat de mensen tegenwoordig niet meer zijn wat ze geweest waren.

Nadat ook de man voor ons had afgerekend was het mijn beurt. De man achter de kassa keek naar de boodschappen die op de band lagen. “Hmpf” gromde hij. Het mocht duidelijk zijn dat hij niet zat te wachten op twee scholieren die allebei voor één Euro boodschappen kwamen doen. Gedwongen glimlachte ik naar de man, waarna ik in complete stilte afrekende. Nadat de man de reep chocola en een blikje cola, die ik nog had gepakt, had gescand, stak ik mijn pinpas omhoog om aan te geven dat ik wou pinnen. De kassamedewerker sloeg pinnen aan op de kassa. Vervolgens betaalde ik zonder de ijzige stilte te doorbreken. Op zijn “Bonnetje?” reageerde ik door nee te schudden, waarna ik me snel uit de rij verloste. Bob deed nog een dappere poging vriendelijk te zijn, maar ook dat leverde niets op.

Het was ondertussen al bijna veertig over tien. Aangezien ons volgende lesuur al om kwart voor elf zou beginnen liepen we snel de supermarkt uit om terug naar de school te gaan. “Denk je dat ze echt heel VWO van de Bergschool tijdelijk bij ons gaan plaatsen, of alleen maar een paar leerlingen? We hebben toch bijna geen lokalen vrij, of wel?” vroeg ik Bob. “Geen idee” reageerde hij, “waarschijnlijk alleen een paar. Mevrouw Blond zei voor een deel. Ik denk in ieder geval dat ze niet zou overdrijven.” Ik knikte. “Nee, dat leek me ook. Ik ben wel benieuwd of ze dan gewoon met hun eigen docenten een paar klaslokalen gebruiken, of dat ze bij ons in de les komen.” Bob stemde in. “Ja, inderdaad. We zullen het wel zien.”

De twee bouwvakkers hadden ondertussen de pylonen vervangen door in de grond geslagen latten waartussen rood-wit gestreept afzettingslint gespannen was. Ze hadden de complete linkerhelft van het pleintje afgezet. Zo te zien hadden ze dat deel uitgebreid opgemeten, aangezien ze nu druk aantekeningen aan het maken waren op een grote plattegrond. Het leek me dat de gemeente iets ging verbouwen op het pleintje. Misschien dat ze eindelijk iets moois gingen maken van het troosteloze betegelde geheel.

If you want to keep on reading, continue to the ninth part published on March 15.

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *