This is the tenth installment of an ongoing fictional story in Dutch called “Het Heerengymnasium” weekly published on Wednesdays. The first part was published on January 9 and the ninth part published on March 15. If you like the writing, please consider buying my book “Op zoek naar het rendement” on Amazon (also Dutch) or the joint effort “The Better Business Book” (English).

Het was een vreemd gezicht. De van golvend metaal gemaakte diepblauwe en boswachtersgroene kantoorunits staken schril af tegen de statige voorpui van het Heerengymnasium. De noodlokalen waren op dezelfde manier opgebouwd als de zeecontainers waarmee trans-Atlantische transportschepen beladen worden. Alleen stond de vracht nu niet op het dek van een gigantisch modern dieselschip, maar bijgeplaatst bij een gebouw dat, als het een boot zou zijn, eruit had gezien als een spiegelschip met decoraties in klassieke stijl. In mijn hoofd cirkelden de meeuwen al over de noodlokalen. Door al het opwaaiende stof dat altijd verschijnt op een bouwplaats waren de aluminium kozijnen en daartussen gevangen ruiten bevlekt van het vuil.

Ondertussen monteerden de bouwvakkers de stalen containers aan elkaar vast met dikke industriële bouten. Zo van buiten te zien herbergde het geheel de capaciteit van vier extra klaslokalen. Ik kon me niet voorstellen dat de noodlokalen een erg inspirerende leeromgeving boden, voor zover pubers tot leergierigheid te inspireren waren. Blij dat ik hier geen les hoefde te volgen reed ik door naar de fietsenstalling aan de achterzijde van het gebouw.

Nadat we onze fietsen geparkeerd hadden liepen we de gang in vanuit de stalling. Bovenaan de trap stond een van de conciërges van de school te wachten. De besnorde man met grijze krulletjes keek afkeurend hoe wij de fietsenstalling uit kwamen. Hij schraapte zijn keel om zijn aanwezigheid te benadrukken. “Jullie zijn te laat, heren.” De conciërge haalde een stapel oranje briefjes tevoorschijn. Daarna pakte hij uit zijn borstzakje een pen. Vervolgens keek de man verdwaald om zich heen, waarschijnlijk zoekende naar een plat oppervlak om op te schrijven, want uiteindelijk pakte hij een klipbord van de stenen vensterbank. “Zo, meneer Peeters en Van Vecht. De tweede keer te laat deze maand.” Hij had twee van de oranje briefjes op het bord gelegd en schreef onze namen en de details van ons delict op. “Wat is de reden voor de vertraging?” vroeg de conciërge streng. Voordat ik een verklaring kon formuleren had Mark al antwoord op de vraag gegeven. “Het was nogal druk vanmorgen, meneer. Onze excuses.” De man schreef de halfslachtige verklaring op zonder verdere vragen. Daarna kregen we allebei ons telaatbriefje aangereikt. De conciërge gebaarde ons de trap op te gaan. “Jullie kunnen je bij de conrector melden.” In discussie gaan met de conciërge had geen zin, dus vervolgden wij onze weg omhoog voor de volgende stap in het bureaucratische proces.

De rector en de twee conrectoren van de school, één voor de onderbouw en één voor de bovenbouw, hadden hun kantoortjes bovenin het gebouw achter de voorgevel. Op de hoogste etage zat direct boven de kantine verder nog de lerarenkamer. Mark en ik liepen de trappen op achterin het gebouw. In tegenstelling tot de grote trappen voorin het gebouw was dit een vrij normaal ingetogen trappenhuis. In de centrale hal begonnen ze in een grote halve maan die taps toe liep naar boven waarna een plateau volgde en na een hoek van 180 graden een tweede deel trap verder omhoog.

De tweede etage van de school voelde altijd net wat warmer dan de rest van het gebouw, alsof de stijgende warme lucht zich bovenin het schoolgebouw ophoopte. Ik kon me in ieder geval niet voorstellen dat het direct onder het platte dak snel door de zon opwarmde, aangezien het daarvoor over het algemeen veel te slecht weer was. De lessen waren inmiddels een goede tien minuten bezig, waardoor we langs de gesloten deuren van klaslokalen naar de voorzijde van de school liepen. Dankzij het hele proces van briefjes laten tekenen als je te laat was kwam je altijd minstens een volledig kwartier te laat in de klas, zelfs als je oorspronkelijk maar een halve minuut te laat op school was aangekomen.

We pauzeerden voor de deur van de conrector. Op het bordje naast de wit geverfde houten deur stond ‘dhr. Swart, conrector bovenbouw’ in dikke zwarte letters. In het moment van aarzeling keken we elkaar aan, waarop ik mijn schouders nietszeggend ophaalde. Veel keuze hadden we niet, dus moesten we door de zure appel heen bijten. Mark klopte op de deur. “Binnen” zei een zware stem. Mark opende de deur.

De conrector van de bovenbouw zat achter zijn bureau. Zijn kamer was ingericht als de studeerkamer van een professor in een Brits landhuis. Een groot Eiken bureau stond midden in de kamer met daarop een donkergroen bureaulampje dat deed denken aan een rechtbank. Op het bureau lagen een aantal stapeltjes met papieren. Tegen de wanden stonden dikke volle boekenkasten aan de linkerzijde en archiefkasten aan de rechterkant. Tegenover het bureau stonden twee stoeltjes, waarop de conrector ons gebaarde te gaan zitten. Timide gaven wij gehoor aan zijn verzoek. Langzaam met korte stappen liepen we naar binnen. Met dezelfde slakkengang zakten we in de stoeltjes en schoven we de briefjes van de conciërge op het bureau. De conrector keek ons streng aan.

“Al de tweede keer te laat deze maand. Dat is niet goed, heren.” De man woog zijn woorden nauwkeurig alvorens deze uit te spreken met een kalme strenge toon. “Helaas betekent dat voor jullie vandaag blijven tot het einde van het negende lesblok.” De conrector haalde zijn hand langs zijn kin. Hij had een korte dik gedekte baard in de stijl van een Griekse wijsgeer. Tussen de donkere haren staken enkele grijze haren uit, als een gele stengel tussen het groene gras op een groot veld.

Hij pakte zijn bril van het bureau en klapte de pootjes rustig uit alvorens hem op te zetten. Daarna bestudeerde hij de briefjes die de conciërge vijf minuten geleden had ingevuld. De conrector fronste zijn wenkbrauwen en keek ons weer aan. “Het was druk vanmorgen?” Hij keek ons vragend aan. Waarschijnlijk benieuwd of we zouden vertellen dat we met de fiets in de file hadden gestaan. Ik voelde me er erg ongemakkelijk bij. We wisten namelijk alledrie dat het een slap excuus was en dat er nu een vermaning ging komen.

“Jongens”, de conrector pauzeerde. “Zouden jullie voortaan op tijd kunnen opstaan?” Hij benadrukte het woordje ‘tijd’ met klem. “Als dit nog een keer gebeurd zal ik jullie ouders hiervan op de hoogte moeten stellen.” Hij noteerde onze namen voor het nablijven die dag en ondertekende de twee briefjes. “Jullie kunnen je om vier uur melden in lokaal drie voor het strafuur.” Hij gaf ons de briefjes terug en ging verder aan het werk. Geruisloos verlieten wij de kamer.

Toen we eindelijk het klaslokaal binnenliepen keken onze klasgenoten verbaasd op. “Zozo, zijn we stout geweest Mark en Rubbert?” vroeg Barend schertsend. Onze klasgenoten lachten hard om de flauwe opmerking. Mark en ik gingen snel voorin het klaslokaal zitten, hopend dat de les snel verder ging.

If you want to keep on reading, continue to the eleventh part published on April 12.

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *