This is the eleventh installment of an ongoing fictional story in Dutch called “Het Heerengymnasium” regularly published on Wednesdays. The first part was published on January 9 and the tenth part published on March 22. If you like the writing, please consider buying my book “Op zoek naar het rendement” on Amazon (also Dutch) or the joint effort “The Better Business Book” (English).

Op het Heerengymnasium liepen een aantal docenten rond die vervuld waren van cynisme of zelfs kleine sadistische trekjes kenden. Tot op zekere hoogte kon ik dat nog begrijpen. Ik stelde me zo voor dat veel docenten ooit als naïeve twintigers voor het eerst aan een schoolklas les gaven, hoopvol iets te betekenen voor de toekomstige generatie. De werkelijkheid zal zich vervolgens over de jaren heen getoond hebben, waarna zij zich murw door de eigenwijze en arrogante scholieren tot een lichte vorm van pessimisme keerden. Daar tegenover stond mijn geschiedenisleraar, meneer Brand. Hoe diep ik ook wenste te geloven in de goedheid van de mens, hij was simpelweg een afschuwelijke persoon. Ik kon me niet anders voorstellen dat zijn geest net zo zwart was als de overblijfselen van de platgebrande Bergschool. Precies bij deze man kwamen Mark en ik twintig minuten te laat de les binnen.

Brand had ons aandachtig gade geslagen terwijl wij binnen liepen en, na onze te laat-briefjes op zijn bureau gelegd te hebben, een plaatsje zochten. Ik was met een zwaar gevoel in mijn maag binnen gekomen. Bij Brand in de klas zorgde ik liever dat ik zo onzichtbaar mogelijk was. Nu was echter het omgekeerde het geval. Doordat praktisch niemand zich in de les van Brand durfde te misdragen was er een ijzige stilte gevallen totdat Barend schertsend door het lokaal had geroepen. “Zozo, zijn we stout geweest Mark en Rubbert?” De docent had zelf hard mee gebulderd met de lachbui die door de klas trok, waarna hij op dezelfde koude manier gewacht had tot het rumoer weer was uitgestorven. Daarna verhief hij zijn zware lage stem. “Voordat jullie twee in die schoolbankjes wegduiken, kunnen jullie wellicht inderdaad met ons delen wat jullie zo laat hier brengt.” Op slag was de aandacht die net aan het wegebben was weer vol op ons gericht. Verrast door de teruggekeerde spanning zochten we naar een antwoord.

“Nou… meneer… het zit zo…” stamelde Mark, onderlijnd door mijn zwijgzaamheid. “Nou, wat meneer?” doorboorde de diepe stem van meneer Brand de halve zin van Mark. De docent wierp een minachtende blik op de twee briefjes die wij op zijn bureau hadden achtergelaten. Voordat Mark de kans kreeg verder te praten sprak hij verder. “Te laat omdat het druk was?” Hij benadrukte het woord druk alsof dat het meest ridicule woord was dat hij ooit gelezen had in zijn leven. “Dat het jullie gelukt is meneer Swart deze onzin te verkopen is al een wonder, maar verder gelooft niemand dit.” Er klonk gegrinnik uit het klaslokaal terwijl Brand verder sprak. “Ga maar staan en verlicht ons over deze zogenaamde drukte die jullie hier twintig minuten te laat heeft laten komen.” Mark en ik wisselden een verschrikte blik, waarna we naar de docent keken, in de hoop dat hij zou zeggen dat nablijven al genoeg straf was. Die liet er echter geen twijfel over bestaan. “Hup hup, we hebben niet de hele dag de tijd.”

Langzaam rezen Mark en ik omhoog uit onze bankjes. Ik keek om me heen door het lokaal. Onze klasgenoten staarden ons verwachtingsvol aan, sommigen met zichtbaar plezier over de manier waarop de leraar ons aanpakte. “Het was ehm erg druk op de provinciale weg, meneer” sprak Mark. Hij slikte en vervolgde zijn verhaal. “Daardoor moesten we ehm vaak erg ehm lang wachten om over te steken” loog hij. “Aha” bromde de docent sarcastisch. “Geloof je het zelf wel? Je hapert als een oude brommer.” Wederom klonk er gegrinnik uit het klaslokaal. Ondertussen bleef ik stokstijf naast Mark staan.

“En, Van Vecht, heb jij ook nog iets te melden, of laat je alles aan je vriendje over?” De klas lachte nu hardop over de opmerking van meneer Brand. Ik voelde mezelf zichtbaar rood worden. “Nee, meneer” zei ik zachtjes. “Wat zei je, Van Vecht?” vroeg de docent, terwijl de klas om mij heen nog steeds grinnikte. “Nee, meneer” zei ik, nu harder. “Bedankt voor deze onzin jongens” sprak de leraar. “Ga zitten voordat we nog meer tijd verspillen aan deze flauwekul.” Mark en ik zakten beiden terug in onze stoelen. Ik probeerde een beetje onderuit gezakt te gaan zitten, zodat ik mezelf voor de rest van de les onopvallend kon maken. “Oh ja, ik doe trouwens het nablijfuur vandaag” voegde Brand toe met een geniepige glimlach op zijn gezicht. De moed zakte me nu helemaal in de schoenen. Het was nog niet eens negen uur geweest en ik wist al dat het een vreselijke dag ging worden.

Meneer Brand keerde terug naar zijn bureau om naar het lesprogramma voor vandaag te kijken. “Iedereen weer bij de les?” vroeg hij luid aan de klas. Voor zover dat er was stierf het geroezemoes in het lokaal uit. “Als we straks dat schorem van de Bergschool erbij krijgen in de klas heb ik dit zeker elke dag?” gromde docent. Daarna pakte hij zijn lesboek van het bureau en vervolgde de les vanaf het punt waar hij gebleven was voordat wij het lokaal binnen kwamen.

If you want to keep on reading, continue to the twelfth part published on April 19.

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *