This is the twelfth installment of an ongoing fictional story in Dutch called “Het Heerengymnasium” regularly published on Wednesdays. The first part was published on January 9 and the eleventh part published on April 12. If you like the writing, please consider buying my book “Op zoek naar het rendement” on Amazon (also Dutch) or the joint effort “The Better Business Book” (English).

Na eindelijk verlost te zijn van het schrikbewind van meneer Brand vervolgden we ons naar het tweede lesblok van de dag, Latijn. Onze lerares voor dat vak, mevrouw Reijnaerds, had weinig natuurlijke autoriteit in het klaslokaal, waardoor de lessen snel chaotisch werden. Zeker vandaag, nu de klas opgehitst was door de escapades van meneer Brand, was het bijna meteen raak.

De jonge lerares stond als een schuchter hert voorin het lokaal te wachten terwijl de leerlingen binnen druppelden. Zelfs ik kon de onzekerheid in haar reebruine ogen zien. Ze was met haar zesentwintig jaar volgens mij de jongste docente op onze school. Ze droeg een lichtgrijze blazer over een lichtgekleurd shirt bij een donkere broek.

Nadat alle leerlingen het lokaal binnen waren gekomen en gaan zitten bleef het alsnog rumoerig. Ik zat samen met Bob op de derde rij van voren aan de linkerzijde. De twee meisjes achter ons waren druk in gesprek over een hockeywedstrijd die dat weekend plaats zou vinden. Geanimeerd was de blondine die direct achter mij zat aan het vertellen over de tactiek van haar team. Ik probeerde het enigszins te volgen, maar begreep te weinig van hockey om er iets van te kunnen maken.

Naast ons waren drie jongens druk bezig met het nabespreken van de geschiedenisles van vanochtend. Ondertussen bleef mevrouw Reijnaerds wat onbeholpen voor de klas staan. Ze keek de klas rond. “Goedemorgen jongens, zullen we maar beginnen?” vroeg ze, alsof het meer een suggestie was dan een opdracht. Een paar van de ijverige leerlingen in de klas keken op, in afwachting wat er vandaag geleerd ging worden. De rest van de groep ging echter lekker door met waarmee ze bezig waren.

“Zo, weet iedereen nog waar we gebleven waren?” vroeg de lerares aan de klas, terwijl ze hoopvol glimlachte. De leerlingen die inmiddels aan het opletten waren keken haar vragend uit. Ik wist vrij zeker dat een deel van hen best het antwoord op de vraag wist, maar om niet buiten de sociale norm te vallen zich van de domme hield. “Nou, dan zal ik maar even met een korte samenvatting beginnen” begon de lerares.

Op de achterste rij in het lokaal ging de aandacht langzaam richting mevrouw Reijnaerds. Een hand ging omhoog op het achterbankje. “Ja, Justus?” vroeg de docente. “Mevrouw” vroeg Justus, “bent u niet bang voor alle leerlingen van de Bergschool die nu massaal gaan komen?” De lerares keek verbaasd. “Hoe bedoel je dat, Justus?” vroeg ze. “Nou, mevrouw, ze komen toch uit Zuid. Ik hoorde dat ze daar allemaal een mes dragen. En blijkbaar zit er ook een pyromaan tussen.” De blik van de docente ging van verbaasd naar geschokt. Ze probeerde de jongen op de achterste rij terug op zijn plek te zetten. “Nee, en dat kun je niet zo zeggen, Justus.”

Ondertussen was de rest van mijn klasgenoten ook uit hun onderlinge gesprekjes gekomen. “Mijn vader zegt altijd dat de mensen uit Zuid niet zo beschaafd zijn als wij” zei een jongen met een rollende R. “Ja, mijn moeder heeft mij gezegd dat ze het geen leuk idee vindt dat er straks kinderen van de Bergschool hier rond lopen” voegde een blond meisje toe.

Getergd keek de docente de klas rond. “Het zijn ook gewoon kinderen, hoor. En die hebben, net als jullie, ook recht op onderwijs” zei mevrouw Reijnaerds. Door de drukte sloeg haar stem over. “En wij hebben ook het recht op veiligheid!” riep Justus. Een kleine golf van instemming klonk door de klas, terwijl Bob en ik ons zoveel mogelijk afzijdig hielden. “Gedraag je!” reageerde de docente streng. “Dat doe ik!” beet Justus haar toe. “Weet je wat, ga jij je maar melden bij de conrector!” riep de docente boos terug. “Oké” reageerde Justus, waarna hij zijn rugzak rustig inpakte en uit het klaslokaal vertrok.

Op het moment dat Justus de deur achter zich dicht trok vloog er een papieren vliegtuigje door de klas. Het landde precies op het bureau van mevrouw Reijnaerds. De lerares, die net was gaan zitten, keek naar het papieren geval dat voor haar op het bureau lag. Er knapte iets in haar. Binnen het bestek van enkele seconden ontvlamde de timide wanhoop in haar ogen tot pure woede. Ze sloeg met een enkele armbeweging  het vliegtuigje van haar bureau en sprong op uit de bureaustoel. “Zo is het genoeg! Ik wil nu – nu! – weten wie dit ding gegooid heeft! Nu!” De klas keek de lerares verbijsterd aan. Niemand had deze uitbarsting zien aankomen.

Een leerling aan de raamzijde probeerde met moeite een lachbui in te houden, waardoor hij een zacht proestend geluid produceerde. “Is er wat, Gerhard? Is dit van jouw hand?” beet mevrouw Reijnaerds de jongen toe. Hij probeerde zichzelf te bedaren en stamelde “Nee… Nee, mevrouw.” Hij bleef echter aan het proesten op een manier die bijna leek alsof hij een epileptische aanval kreeg. “Je vindt het anders wel heel erg grappig, zo te zien” snoof de lerares hem af. “Nee, echt niet” zei de jongen, nu met enige paniek op zijn gezicht. “Weet je wat, ga maar gewoon Justus achterna. Nu.” De docente was nog steeds witheet. Ondertussen pakte de jongen zijn schrift en pen in zijn tas, waarna hij verslagen afdroop.

“Is er nog iemand anders die dit zo hilarisch vindt?” vroeg de lerares met snijdende toon het klaslokaal. Met twee rode kaarten uitgedeeld was er verder niemand in de ruimte die ook maar een beweging durfde te maken. Mevrouw Reijnaerds liet haar ogen van links naar rechts door het lokaal glijden op zoek naar leerlingen die het nog in zich hadden haar te tarten. Gelukkig leek de sfeer te kalmeren en daarmee ook de docente. Enkele van mijn klasgenoten haalden zelfs opgelucht adem.

Net toen de lerares besloot verder met de les te gaan en zich wou omdraaien om op het schoolbord te schrijven viel haar oog op het een na laatste rijtje aan de linkerzijde van het klaslokaal. Dat was de plek waar Arend samen met een andere jongen was gaan zitten. De twee trokken bleekjes weg toen de blik van de lerares hen door priemde. Aan het gezicht van mevrouw Reijnaerds zag ik de woede terugkeren. Uit nieuwsgierigheid draaide ik me zo dat ik over mijn schouder kon kijken wat er aan de hand was.

Onder de stoel van Arend lag een stapel van vier voorgevouwen papieren vliegtuigjes. “Jullie, allebei subiet naar meneer Swart!” schreeuwde de lerares de twee jongens toe. De jongen naast Arend deed zijn mond open om wat te zeggen, maar mevrouw Reijnaerds gaf hem de kans niet. “Nu!” klonk luid door het lokaal. Zo snel als ik de twee nog nooit had zien bewegen pakten ze hun tas in en maakten zich uit de voeten. Stomend keek de lerares hen na. Daarna pakte ze haar boek en bladerde er snel en geïrriteerd doorheen.

“Iedereen, vertaal de tekst op pagina honderdtwaalf zonder ook maar enig woord te spreken. Wie ook maar een geluid maakt mag zich ook gaan melden!” snauwde ze de klas toe, waarna ze zwijgzaam aan haar bureau ging zitten. Met de grootste moeite om geen geritsel te veroorzaken bladerden de leerlingen naar de juiste pagina en sloegen in stilte aan het vertalen.

If you want to keep on reading, continue to the thirteenth part published on May 17.

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *